Inspectie van het Onderwijs banner
Technisch rapport basisvaardigheden. De Staat van het Onderwijs 2026.

Publicatiedatum

april 2026

Inleiding

Dit is het technisch rapport dat ten grondslag ligt aan het hoofdstuk Basisvaardigheden van de Staat van het Onderwijs 2026. In dit rapport staat de verantwoording van de onderzoeksgegevens. In dit technisch rapport besteden we aandacht aan:

  • Toetsresultaten doorstroomtoets in het funderend onderwijs
  • Toetsresultaten schoolexamen rekenen in het voortgezet onderwijs
  • Examenresultaten generiek examen in het middelbaar beroepsonderwijs
  • Vragenlijsten voor de Staat van het Onderwijs

Databronnen en definities

Databronnen

DUO-ROD

Vanuit de dienst uitvoering onderwijs (DUO) krijgt de Inspectie van het Onderwijs bestanden uit het register onderwijsdeelnemers (ROD), ook wel 1-cijferbestanden genoemd, met o.a. leerlingaantallen, achtergrondkenmerken, eindtoets- en examengegevens (met uitzondering van de mbo-examengegevens). De 1-cijferbestanden zijn gebaseerd op afspraken tussen ketenpartners als het ministerie van OCW, CBS, DUO, de Inspectie van het Onderwijs en koepelorganisaties, om zo op een eenduidige manier onderwijsgegevens te ontsluiten volgens van tevoren vastgestelde definities. Dit betreft de inschrijving op peildatum 1 oktober van het betreffende school- of studiejaar. Of de diplomering van leerlingen of studenten in het betreffende school- of studiejaar. Voor de analyses worden alleen de hoofdinschrijvingen of -diploma’s in de sector op bekostigde scholen of instellingen meegenomen.

Vragenlijsten ten behoeve van de Staat van het Onderwijs 2026

Voor de Staat van het Onderwijs 2026 zijn vragenlijsten uitgezet onder samenwerkingsverbanden, scholen in het funderend onderwijs (basisonderwijs (bo), voortgezet onderwijs (vo) en (voortgezet) speciaal onderwijs (v)so)) en studenten in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en hoger onderwijs (ho). Informatie over de steekproef, respons en opzet van dit vragenlijst onderzoek is te vinden in het technisch rapport behorende bij het hoofdstuk Passend onderwijs van de Staat van het Onderwijs 2026 (Inspectie van het Onderwijs, 2026).

Definities

Inschrijvingsjaar

Het kalenderjaar waarin op teldatum 1 oktober unieke (hoofd)inschrijvingen worden geteld

School/studiejaar

School/studiejaar met teldatum 1 oktober waarop de unieke (hoofd)inschrijvingen worden geteld.

Diplomajaar

Het schooljaar waarin de student een diploma heeft behaald. Diplomajaar 2017 heeft bijvoorbeeld betrekking op schooljaar 2017-2018. Aangezien de meeste studenten hun diploma aan het einde van het schooljaar behalen, wijkt het diplomajaar dus af van het kalenderjaar waarin het diploma naar alle waarschijnlijkheid is behaald.

Referentieniveaus (po, (v)so, vo en mbo)

Het referentiekader bestaat uit fundamentele niveaus en streefniveaus (zie https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/basisvaardigheden/referentieniveaus-taal-en-rekenen). Het fundamentele niveau (1F-niveau) is de basis die zo veel mogelijk leerlingen moeten beheersen. Het streefniveau (2F/1S-niveau) heeft iedereen nodig om in de maatschappij mee te kunnen doen.

Voor leerlingen in het po, (v)so, vo en mbo gelden de volgende eindniveaus:

  • (S)bo en so: rekenen 1F en 1S en taal 1F en 2F
  • Praktijkonderwijs (pro): rekenen 1F en taal 1F
  • Vmbo: rekenen 2F en taal 2F
  • Havo: rekenen 3F en taal 3F
  • Vwo: rekenen 3F en taal 4F
  • Mbo niveau 1/entreeopleiding, mbo niveau 2 en niveau 3: taal 2F en rekenen 2F
  • Mbo niveau 4: taal 3F en rekenen 3F

Doorstroomtoets (po en so)

Voor scholen in het po en so is het verplicht om bij leerlingen (leerlingen met een ontheffing uitgezonderd) in het laatste leerjaar een doorstroomtoets af te nemen. Een doorstroomtoets geeft naast het schooladvies een advies voor het best passende brugklastype.

Diplomaniveau (mbo)

Het mbo kent diploma’s op 4 niveaus:

  • Entreeopleiding (niveau 1): Deze opleiding bereidt jongeren voor op de arbeidsmarkt of doorstroom naar een niveau 2-opleiding
  • Basisberoepsopleiding (niveau 2): bereid studenten voor op uitvoerende werkzaamheden
  • Vakopleiding (niveau 3): studenten leren werkzaamheden zelfstandig uit te voeren
  • Middenkaderopleiding (niveau 4): studenten leren werkzaamheden volledig zelfstandig uit te voeren. Studenten met een diploma van niveau 4 kunnen doorstromen naar een vervolgopleiding in het hbo

Resultaten

Toetsresultaten doorstroomtoets (po en so)

Voor de toetsresultaten in het po zijn alleen leerlingen uit het achtste leerjaar, en leerlingen die op de peildatum 1 oktober 9 jaar oud of jonger meegenomen. Voor het so, waar de leerjaarregistratie ontbreekt, is alleen de selectie van leerlingen 9 jaar of ouder gedaan. Sommige leerlingen hoeven de doorstroomtoets niet te maken. Dit geldt voor: leerlingen die korter dan 4 jaar in Nederland zijn en het Nederlands onvoldoende beheersen; meervoudig gehandicapte kinderen die zeer moeilijk leren en zeer moeilijk lerende kinderen. Leerlingen met een ontheffing mogen de doorstroomtoets wel maken. De resultaten van leerlingen met een ontheffing worden buiten beschouwing gelaten. Leerlingen kunnen door ziekte/verhindering op de toetsdatum ook niet hebben deelgenomen aan de doorstroomtoets. De resultaten van leerlingen met een ingevulde reden niet-deelname worden ook buiten beschouwing gelaten.

In Tabel 1 tot en met Tabel 6 staat het aantal en percentage leerlingen in het bo, sbo en so dat op de doorstroomtoets een bepaald referentieniveau beheerst voor de domeinen lezen en taalverzorging. De percentages behaalde referentieniveaus voor lezen en taalverzorging zijn voor het bo en so in 2024 en 2025 redelijk vergelijkbaar. Hoewel in het sbo voor de leerlingen die de doorstroomtoets gemaakt hebben, de behaalde referentieniveaus voor taalverzorging vooruitgang laten zien, blijven deze achter bij het bo en so.

Tabel 1: Beheersing van de referentieniveaus voor leesvaardigheid in het bo
 2023-2024     2024-2025 
 %   n     %   n 
 Lager dan 1F  0,8  1.298    1,2  1.874 
 1F  24,0  39.458    25,2  41.021 
 2F  75,3  123.915    73,6  119.732 
 Totaal  100,0  164.671    100,0  162.627 
Tabel 2: Beheersing van de referentieniveaus voor leesvaardigheid in het sbo
 2023-2024     2024-2025 
 %   n     %   n 
 Lager dan 1F  16,8  963    16,3  892 
 1F  66,9  3.824    67,3  3.674 
 2F  16,3  931    16,4  893 
 Totaal  100,0  5.718    100,0  5.459 
Tabel 3: Beheersing van de referentieniveaus voor leesvaardigheid in het so
 2023-2024     2024-2025 
 %   n     %   n 
 Lager dan 1F  13,4  438    12,4  377 
 1F  56,8  1.857    57,7  1.759 
 2F  29,8  975    30,0  914 
 Totaal  100,0  3.270    100,0  3.050 
Tabel 4: Beheersing van de referentieniveaus voor taalverzorging in het bo
 2023-2024     2024-2025 
 %   n     %   n 
 Lager dan 1F  3,6  5.971    3,0  4.875 
 1F  43,1  70.911    41,9  68.077 
 2F  53,3  87.789    55,1  89.675 
 Totaal  100,0  164.671    100,0  162.627 
Tabel 5: Beheersing van de referentieniveaus voor taalverzorging in het sbo
 2023-2024     2024-2025 
 %   n     %   n 
 Lager dan 1F  53,9  3.080    49,1  2.681 
 1F  43,0  2.460    47,1  2.572 
 2F  3,1  178    3,8  206 
 Totaal  100,0  5.718    100,0  5.459 
Tabel 6: Beheersing van de referentieniveaus voor taalverzorging in het so
 2023-2024     2024-2025 
 %   n     %   n 
 Lager dan 1F  33,4  1.091    30,0  914 
 1F  56,2  1.837    58,4  1.782 
 2F  10,5  342    11,6  354 
 Totaal  100,0  3.270    100,0  3.050 

In Tabel 7 tot en met Tabel 9 staat het aantal en percentage leerlingen in het bo, sbo en so dat op de doorstroomtoets een bepaald referentieniveau beheerst voor het domein rekenen/wiskunde. De beheersing van de refentieniveaus liggen voor rekenen/wiskunde lager dan voor taal. Dit geldt zowel voor de bo en sbo-leerlingen als voor de so-leerlingen.

Tabel 7: Beheersing van de referentieniveaus voor rekenen/wiskunde in het bo
 2023-2024     2024-2025 
 %   n     %   n 
 Lager dan 1F  8,1  13.398    7,0  11.414 
 1F  46,3  76.198    49,6  80.589 
 1S  45,6  75.075    43,4  70.624 
 Totaal  100,0  164.671    100,0  162.627 
Tabel 8: Beheersing van de referentieniveaus voor rekenen/wiskunde in het sbo
 2023-2024     2024-2025 
 %   n     %   n 
 Lager dan 1F  75,0  4.288    72,6  3.963 
 1F  22,4  1.278    24,3  1.326 
 1S  2,7  152    3,1  170 
 Totaal  100,0  5.718    100,0  5.459 
Tabel 9: Beheersing van de referentieniveaus voor rekenen/wiskunde in het so
 2023-2024     2024-2025 
 %   n     %   n 
 Lager dan 1F  52,4  1.713    47,0  1.435 
 1F  38,7  1.266    42,6  1.299 
 1S  8,9  291    10,4  316 
 Totaal  100,0  3.270    100,0  3.050 

Toetsresultaten rekentoets (vo)

Leerlingen in het vmbo en havo die geen eindexamen doen in wiskunde moeten het schoolexamen rekenen afleggen. Het resultaat komt op een bijlage bij de cijferlijst van leerlingen. Het cijfer telt niet mee voor de uitslag en er is geen minimumcijfer. In Tabel 10 staat per onderwijssoort het aantal en percentage leerlingen in het vo dat op de rekentoets een bepaald referentieniveau beheerst.

Tabel 10: Beheersing van de referentieniveaus voor rekenen in het vo, uitgesplitst naar onderwijssoort
Schooljaar N 2F % voldoende 2F Gem. cijfer 2F N 3F % voldoende 3F Gem. cijfer 3F
Vmbo-b 2021-2022 4.038 42,3 5,0 39 46,2 6,2
Vmbo-b 2022-2023 4.014 42,3 5,1 28 35,7 4,6
Vmbo-b 2023-2024 4.162 40,9 4,9 16 37,5 5,3
Vmbo-b 2024-2025 4.396 42,2 4,9 0 0,0 0,0
Vmbo-k 2021-2022 7.061 58,4 5,6 68 51,5 5,7
Vmbo-k 2022-2023 7.134 57,4 5,6 78 59,0 5,2
Vmbo-k 2023-2024 7.962 57,2 5,5 66 69,7 5,5
Vmbo-k 2024-2025 7.913 58,2 5,5 22 77,3 6,2
Vmbo-gt 2021-2022 11.145 72,8 6,0 120 73,3 6,2
Vmbo-gt 2022-2023 11.613 73,4 6,0 173 69,9 6,4
Vmbo-gt 2023-2024 12.746 71,1 6,0 202 70,8 6,2
Vmbo-gt 2024-2025 13.662 71,6 6,1 108 86,1 6,3
Havo 2021-2022 0 0,0 0,0 4.451 53,9 5,4
Havo 2022-2023 0 0,0 0,0 4.493 52,0 5,4
Havo 2023-2024 0 0,0 0,0 4.945 53,3 5,4
Havo 2024-2025 0 0,0 0,0 4.857 53,6 5,4

Examenresultaten (mbo)

Gediplomeerden

In Tabel 11 staan per niveau de aantallen gediplomeerden in het mbo (bekostigde instellingen) in de afgelopen jaren.

Tabel 11: Het aantal en percentage mbo-gediplomeerden per niveau
 Niveau 1     Niveau 2     Niveau 3     Niveau 4     Totaal 
 %   n     %   n     %   n     %   n     n 
 2015‑2016  6,8  10.481    25,5  39.535    27,4  42.445    40,3  62.406    154.867 
 2016‑2017  6,5  10.249    22,6  35.638    26,4  41.628    44,5  70.086    157.601 
 2017‑2018  7,2  10.908    22,1  33.625    26,0  39.616    44,7  68.078    152.227 
 2018‑2019  8,0  12.329    22,2  34.373    25,2  38.931    44,6  68.873    154.506 
 2019‑2020  8,4  13.088    22,0  34.055    24,0  37.259    45,6  70.733    155.135 
 2020‑2021  7,9  12.547    22,4  35.413    23,4  37.039    46,2  73.032    158.031 
 2021‑2022  7,6  11.546    22,4  34.159    22,4  34.175    47,7  72.914    152.794 
 2022‑2023  7,4  11.251    22,1  33.401    22,9  34.629    47,7  72.190    151.471 
 2023‑2024  8,3  12.508    22,7  33.998    22,3  33.406    46,7  70.000    149.912 
 2024‑2025  9,3  13.915    22,8  34.018    21,5  31.992    46,3  68.996    148.921 

Laatste jaar voorlopige cijfers

Centraal en instellingsexamen Nederlands

In Tabel 12 en Tabel 14 is het percentage studenten weergegeven met een (on)voldoende op het diploma voor het centraal examen (ce) of voor het instellingsexamen (ie) 2F op niveau 2 en 3. Bij het ie is er geen ontwikkeling naar meer onvoldoendes, waar dit bij het ce wel het geval is.

Een voldoende (tenminste 5,5) bij 2F op niveau 2 duidt niet op het behalen van het referentieniveau. Door de cijferdifferentiatie die geldt voor gediplomeerden niveau 2 krijgen studenten een extra punt. Hierdoor is pas vanaf een 6,5 het referentieniveau van het examen behaald (zie Tabel 13 en Tabel 15).

Tabel 12: Aantal en percentage gediplomeerden dat minstens een 5,5 heeft behaald op het centraal examen Nederlands (2F), uitgesplitst naar niveau
 Behaald     Niet behaald     Totaal 
 %   n     %   n     n 
 Niveau 2 
   2018‑2019  91,3  28.540    8,7  2.718    31.258 
   2019‑2020  88,7  28.029    11,3  3.579    31.608 
   2020‑2021  87,0  28.837    13,0  4.327    33.164 
   2021‑2022  85,4  28.583    14,6  4.899    33.482 
   2022‑2023  85,0  27.746    15,0  4.890    32.636 
   2023‑2024  86,2  28.470    13,8  4.545    33.015 
   2024‑2025  85,5  28.154    14,5  4.760    32.914 
 Niveau 3 
   2018‑2019  95,4  32.123    4,6  1.534    33.657 
   2019‑2020  94,9  30.831    5,1  1.657    32.488 
   2020‑2021  94,3  30.327    5,7  1.827    32.154 
   2021‑2022  93,5  28.308    6,5  1.973    30.281 
   2022‑2023  92,7  27.792    7,3  2.180    29.972 
   2023‑2024  92,4  26.338    7,6  2.168    28.506 
   2024‑2025  92,2  24.948    7,8  2.117    27.065 

Laatste jaar voorlopige cijfers

Op diplomaniveau 2 wordt cijferdifferentiatie toegepast bij het examen 2F, hieronder is weergegeven welk aandeel van de studenten een 6,5 heeft behaald in plaats van een voldoende (5,5) op het CE, dit komt overeen met referentieniveau 2F.

Tabel 13: Aantal en percentage gediplomeerden dat tenminste een 6,5 heeft behaald op het centraal examen Nederlands (2F) van niveau 2
 Behaald     Niet behaald     Totaal 
 %   n     %   n     n 
 Niveau 2 
   2018‑2019  75,9  23.738    24,1  7.520    31.258 
   2019‑2020  72,9  23.036    27,1  8.572    31.608 
   2020‑2021  70,2  23.279    29,8  9.885    33.164 
   2021‑2022  68,2  22.827    31,8  10.655    33.482 
   2022‑2023  67,1  21.912    32,9  10.724    32.636 
   2023‑2024  68,3  22.553    31,7  10.462    33.015 
   2024‑2025  67,6  22.248    32,4  10.666    32.914 

Laatste jaar voorlopige cijfers
Tabel 14: Aantal en percentage gediplomeerden dat minstens een 5,5 heeft behaald op het instellingsexamen Nederlands (2F), uitgesplitst naar niveau
 Behaald     Niet behaald     Totaal 
 %   n     %   n     n 
 Niveau 2 
   2018‑2019  97,8  30.564    2,2  694    31.258 
   2019‑2020  97,7  30.881    2,3  727    31.608 
   2020‑2021  97,9  32.463    2,1  701    33.164 
   2021‑2022  97,6  32.666    2,4  816    33.482 
   2022‑2023  97,7  31.897    2,3  739    32.636 
   2023‑2024  98,1  32.384    1,9  631    33.015 
   2024‑2025  98,3  32.339    1,7  575    32.914 
 Niveau 3 
   2018‑2019  97,7  32.895    2,3  762    33.657 
   2019‑2020  97,4  31.636    2,6  852    32.488 
   2020‑2021  97,4  31.323    2,6  831    32.154 
   2021‑2022  97,5  29.524    2,5  757    30.281 
   2022‑2023  97,4  29.203    2,6  769    29.972 
   2023‑2024  97,6  27.828    2,4  678    28.506 
   2024‑2025  97,8  26.470    2,2  595    27.065 

Laatste jaar voorlopige cijfers

Op diplomaniveau 2 wordt cijferdifferentiatie toegepast, hieronder is weergegeven welk aandeel van de studenten een 6,5 heeft behaald in plaats van een voldoende (5,5) op het instellingsexamen, dus in de situatie dat er geen differentiatie zou zijn toegepast.

Tabel 15: Aantal en percentage gediplomeerden dat minstens een 6,5 heeft behaald op het instellingsexamen Nederlands (2F) van niveau 2
 Behaald     Niet behaald     Totaal 
 %   n     %   n     n 
 Niveau 2 
   2018‑2019  90,9  28.425    9,1  2.833    31.258 
   2019‑2020  90,0  28.460    10,0  3.148    31.608 
   2020‑2021  90,0  29.850    10,0  3.314    33.164 
   2021‑2022  89,6  30.001    10,4  3.481    33.482 
   2022‑2023  90,1  29.390    9,9  3.246    32.636 
   2023‑2024  90,9  30.014    9,1  3.001    33.015 
   2024‑2025  91,2  30.014    8,8  2.900    32.914 

Laatste jaar voorlopige cijfers

In Tabel 16 en Tabel 17 zijn de (on)voldoendes voor de examens Nederlands 3F weergegeven. In het meeste recente diplomajaar heeft 38% van de gediplomeerden op niveau 4 een onvoldoende voor het ce. Het hoge aandeel onvoldoendes op het centraal examen blijft dus verder stijgen. Hetzelfde geldt niet voor het ie.

Tabel 16: Aantal en percentage gediplomeerden dat minstens een 5,5 heeft behaald op het centraal examen Nederlands (3F), uitgesplitst naar niveau
 Behaald     Niet behaald     Totaal 
 %   n     %   n     n 
 Niveau 3 
   2018‑2019  67,3  1.190    32,7  579    1.769 
   2019‑2020  65,4  1.242    34,6  657    1.899 
   2020‑2021  66,0  1.654    34,0  851    2.505 
   2021‑2022  62,2  2.117    37,8  1.288    3.405 
   2022‑2023  59,7  2.441    40,3  1.646    4.087 
   2023‑2024  56,4  2.497    43,6  1.928    4.425 
   2024‑2025  56,3  2.479    43,7  1.927    4.406 
 Niveau 4 
   2018‑2019  76,4  48.307    23,6  14.924    63.231 
   2019‑2020  75,1  49.741    24,9  16.499    66.240 
   2020‑2021  73,8  50.423    26,2  17.886    68.309 
   2021‑2022  70,4  50.009    29,6  21.015    71.024 
   2022‑2023  65,9  46.079    34,1  23.880    69.959 
   2023‑2024  63,8  43.203    36,2  24.554    67.757 
   2024‑2025  61,9  41.257    38,1  25.373    66.630 

Laatste jaar voorlopige cijfers
Tabel 17: Aantal en percentage gediplomeerden dat minstens een 5,5 heeft behaald op het instellingsexamen Nederlands (3F), uitgesplitst naar niveau
 Behaald     Niet behaald     Totaal 
 %   n     %   n     n 
 Niveau 3 
   2018‑2019  96,4  1.706    3,6  63    1.769 
   2019‑2020  95,7  1.817    4,3  82    1.899 
   2020‑2021  95,6  2.395    4,4  110    2.505 
   2021‑2022  95,6  3.256    4,4  149    3.405 
   2022‑2023  96,0  3.925    4,0  162    4.087 
   2023‑2024  96,0  4.249    4,0  176    4.425 
   2024‑2025  95,9  4.225    4,1  181    4.406 
 Niveau 4 
   2018‑2019  96,9  61.256    3,1  1.975    63.231 
   2019‑2020  96,8  64.095    3,2  2.145    66.240 
   2020‑2021  96,8  66.152    3,2  2.157    68.309 
   2021‑2022  96,7  68.677    3,3  2.347    71.024 
   2022‑2023  96,1  67.229    3,9  2.730    69.959 
   2023‑2024  96,3  65.246    3,7  2.511    67.757 
   2024‑2025  96,7  64.427    3,3  2.203    66.630 

Laatste jaar voorlopige cijfers

In Tabel 18 en Tabel 19 is het gemiddelde verschil weergegeven tussen het ie-cijfer en het ce-cijfer van gediplomeerden. Als dit een positief getal is, wil dit zeggen dat het ie-cijfer gemiddeld hoger is dan het ce-cijfer, een negatieve waarde geeft aan dat het ce-cijfer gemiddeld hoger is. Het cijfer voor het ie is gemiddeld beduidend hoger dan voor het ce. Bij de gediplomeerden is te zien dat het gemiddelde verschil tussen het ie-resultaat en het ce-resultaat sinds 2018-2019 toenam. Bij het examen 3F op niveau 3 en 4 is het verschil tussen het ie- en het ce-cijfer het grootst. Op niveau 4 neemt dit toe, in het laatste jaar was dit gemiddeld 1,4 punt.

Tabel 18: Gemiddeld verschil tussen de cijfers op het instellings- en centraal examen Nederlands (2F), uitgesplitst naar niveau
 2F ie min ce     Ie     Ce 
 Gem   n     Gem   n     Gem   n 
 Niveau 2 
   2018‑2019  0,8  31.258    7,9  31.258    7,1  31.258 
   2019‑2020  0,9  31.608    7,9  31.608    7,0  31.608 
   2020‑2021  1,0  33.164    7,9  33.164    6,9  33.164 
   2021‑2022  1,0  33.482    7,9  33.482    6,8  33.482 
   2022‑2023  1,1  32.636    7,9  32.636    6,8  32.636 
   2023‑2024  1,0  33.015    7,9  33.015    6,9  33.015 
   2024‑2025  1,1  32.914    7,9  32.914    6,8  32.914 
 Niveau 3 
   2018‑2019  0,4  33.657    7,4  33.657    7,0  33.657 
   2019‑2020  0,4  32.488    7,4  32.488    7,0  32.488 
   2020‑2021  0,4  32.154    7,5  32.154    7,0  32.154 
   2021‑2022  0,5  30.281    7,5  30.281    7,0  30.281 
   2022‑2023  0,6  29.972    7,5  29.972    6,9  29.972 
   2023‑2024  0,6  28.506    7,5  28.506    6,9  28.506 
   2024‑2025  0,6  27.065    7,5  27.065    6,9  27.065 

Laatste jaar voorlopige cijfers
Tabel 19: Gemiddeld verschil tussen de cijfers op het instellings- en centraal examen Nederlands (3F), uitgesplitst naar niveau
 3F ie min ce     Ie     Ce 
 Gem   n     Gem   n     Gem   n 
 Niveau 3 
   2018‑2019  1,2  1.769    7,0  1.769    5,8  1.769 
   2019‑2020  1,2  1.899    7,0  1.899    5,8  1.899 
   2020‑2021  1,2  2.505    7,1  2.505    5,8  2.505 
   2021‑2022  1,2  3.405    7,0  3.405    5,8  3.405 
   2022‑2023  1,3  4.087    7,0  4.087    5,7  4.087 
   2023‑2024  1,3  4.425    7,0  4.425    5,7  4.425 
   2024‑2025  1,3  4.406    6,9  4.406    5,6  4.406 
 Niveau 4 
   2018‑2019  1,2  63.231    7,2  63.231    6,0  63.231 
   2019‑2020  1,2  66.240    7,2  66.240    6,0  66.240 
   2020‑2021  1,2  68.309    7,2  68.309    6,0  68.309 
   2021‑2022  1,3  71.024    7,2  71.024    5,9  71.024 
   2022‑2023  1,3  69.959    7,1  69.959    5,8  69.959 
   2023‑2024  1,3  67.757    7,1  67.757    5,8  67.757 
   2024‑2025  1,4  66.630    7,1  66.630    5,7  66.630 

Laatste jaar voorlopige cijfers

Generiek examen Nederlands

Mbo-studenten hoeven geen voldoende op het ce te halen omdat het ce-resultaat gecompenseerd mag worden met het ie-cijfer. Daarnaast mag, afhankelijk van de geldende zak- en slaagregeling, het afgeronde cijfer voor het generiek examen een 5 zijn, waardoor een onvoldoende op zowel het ie als het ce mogelijk is. In dit verband is het relevant om de ontwikkeling te volgen van het aandeel studenten dat het generieke examen Nederlands met een 5 afrond.

Tabel 20: Aantal en percentage gediplomeerden met een 5 voor het generiek examen Nederlands
 Nederlands 
 Hoger dan 5     5     Totaal 
 %   n     %   n     n 
 Niveau 2 
   2018‑2019  97,3  30.546    2,7  836    31.382 
   2019‑2020  96,6  30.708    3,4  1.091    31.799 
   2020‑2021  95,8  32.110    4,2  1.416    33.526 
   2021‑2022  95,1  32.369    4,9  1.659    34.028 
   2022‑2023  95,3  31.743    4,7  1.577    33.320 
   2023‑2024  96,7  32.832    3,3  1.117    33.949 
   2024‑2025  97,2  32.993    2,8  965    33.958 
 Niveau 3 
   2018‑2019  98,2  34.816    1,8  624    35.440 
   2019‑2020  97,9  33.705    2,1  738    34.443 
   2020‑2021  97,5  33.957    2,5  857    34.814 
   2021‑2022  97,1  32.978    2,9  994    33.972 
   2022‑2023  96,7  33.373    3,3  1.125    34.498 
   2023‑2024  96,6  32.140    3,4  1.137    33.277 
   2024‑2025  97,1  30.965    2,9  919    31.884 
 Niveau 4 
   2018‑2019  96,0  60.912    4,0  2.519    63.431 
   2019‑2020  95,8  64.015    4,2  2.788    66.803 
   2020‑2021  95,4  66.318    4,6  3.188    69.506 
   2021‑2022  94,8  68.865    5,2  3.784    72.649 
   2022‑2023  93,3  67.081    6,7  4.817    71.898 
   2023‑2024  93,1  64.796    6,9  4.835    69.631 
   2024‑2025  93,6  64.326    6,4  4.413    68.739 

Laatste jaar voorlopige cijfers

In Tabel 20 is te zien is dat het aandeel dat voor het generieke examen een 5 heeft behaald de afgelopen jaren gedaald is bij niveau 2. En in het laatste jaar ook bij niveau 3 en 4.

Generiek examen rekenen

Het aantal gediplomeerden met naast het examenresultaat Nederlands ook een examenresultaat rekenen is het laatste jaar verder toegenomen. Van de gediplomeerden in 2024-2025 heeft op niveau 2 96% een rekenresultaat, 79% van niveau 3 en 62% van niveau 4. Dit komt door de cohort-gewijze invoering bij opleidingstarters voor wie rekenen is gaan meetellen voor de zak-en slaagregeling.

In Tabel 21 is weergegeven welk deel van de gediplomeerden met een examenresulaat rekenen een 5 heeft op het generiek examen (wat bestaat uit het ie, er is geen ce). Van niveau 2 heeft 13% van diegenen met een rekenresultaat een 5. Volgens de zak-slaagregeling moeten deze studenten tenminste een 6 hebben op het generiek examen Nederlands. Andersom geeft een 6 of hoger als examenresultaat bij rekenen recht op een 5 in plaats van 6 of hoger op het generiek examen Nederlands. Dit geldt voor 87% van de studenten niveau 2 met een rekenresultaat bij het diploma in 2024-2025.

Tabel 21: Aantal en percentage gediplomeerden met een 5 voor het generiek examen rekenen
 Rekenen 
 Geen     Hoger dan 5     5     Totaal 
 %   n     %   n     %   n     n 
 Niveau 2 
   2021‑2022  100,0  34.028        34.028 
   2022‑2023  82,6  27.516    15,5  5.158    1,9  646    33.320 
   2023‑2024  19,3  6.543    70,5  23.938    10,2  3.468    33.949 
   2024‑2025  4,0  1.352    83,3  28.302    12,7  4.304    33.958 
 Niveau 3 
   2021‑2022  100,0  33.972        33.972 
   2022‑2023  98,1  33.830    1,7  583    0,2  85    34.498 
   2023‑2024  72,4  24.099    23,4  7.774    4,2  1.404    33.277 
   2024‑2025  21,4  6.812    66,3  21.133    12,4  3.939    31.884 
 Niveau 4 
   2021‑2022  100,0  72.648    0,0      72.649 
   2022‑2023  97,5  70.114    2,3  1.640    0,2  144    71.898 
   2023‑2024  87,0  60.600    11,7  8.179    1,2  852    69.631 
   2024‑2025  37,6  25.834    56,1  38.576    6,3  4.329    68.739 

Laatste jaar voorlopige cijfers

Vragenlijsten ten behoeve van de Staat van het Onderwijs 2026

Onderstaande tabellen geven de resultaten weer van de vragenlijsten uitgezet onder schoolleiders (po, vo en (v)so) die betrekking hebben op de basisvaardigheden.

Tabel 22: Was er in het afgelopen schooljaar (2024-2025) sprake van integratie van taal- en vakonderwijs?
 n   % 
 Vmbo 
   Ja  83  62,4 
   Nee  50  37,6 
   Totaal  133  100,0 
 Havo/vwo 
   Ja  56  57,1 
   Nee  42  42,9 
   Totaal  98  100,0 

Onderstaande vraag is alleen gesteld aan de schoolleiders die aangaven dat er het afgelopen schooljaar sprake was van integratie van taal- en vakonderwijs.

Tabel 23: Op welke manier werd er in het afgelopen schooljaar (2024-2025) vorm gegeven aan de integratie van taal- en vakonderwijs?
 Niet of nauwelijks     In enige mate     In grote mate     In zeer grote mate of volledig     Weet ik niet / Niet van toepassing     Totaal 
 n   %     n   %     n   %     n   %     n   %     n   % 
 Vmbo 
   De integratie van taal- en vakonderwijs is onderdeel van het beleid van onze school  1,2    27  32,5    39  47,0    15  18,1    1,2    83  100,0 
   Wij hebben doelen opgesteld om de integratie van taal- en vakonderwijs op onze school te bevorderen  0,0    16  19,3    46  55,4    20  24,1    1,2    83  100,0 
   In ons professionaliseringsplan/scholingsbeleid hebben wij activiteiten opgenomen die bijdragen aan de integratie van taal- en vakonderwijs  2,4    28  33,7    35  42,2    17  20,5    1,2    83  100,0 
   We honoreren de scholingsaanvragen van collega's die gericht zijn op het verbeteren van de integratie van taal- en vakonderwijs  1,2    7,2    31  37,3    41  49,4    4,8    83  100,0 
   Leraren werken binnen andere {{custom.vakken_lessen}}Zoals zaak-, beta-, kunst-, praktijkvakken en/of wereldoriëntatie. gericht aan talige leerdoelen  4,8    43  51,8    26  31,3    10,8    1,2    83  100,0 
   Er is overeenstemming tussen leraren over de manier waarop zij werken aan taalleerdoelen in andere Zoals zaak-, beta-, kunst-, praktijkvakken en/of wereldoriëntatie.{{custom.vakken_lessen}}Zoals zaak-, beta-, kunst-, praktijkvakken en/of wereldoriëntatie.  4,8    46  55,4    24  28,9    8,4    2,4    83  100,0 
   Binnen de school bespreken leraren met elkaar hoe zij in andere {{custom.vakken_lessen}}Zoals zaak-, beta-, kunst-, praktijkvakken en/of wereldoriëntatie. aan taalleerdoelen werken  8,4    43  51,8    23  27,7    10,8    1,2    83  100,0 
 Havo/vwo 
   De integratie van taal- en vakonderwijs is onderdeel van het beleid van onze school  1,8    29  51,8    13  23,2    13  23,2    0,0    56  100,0 
   Wij hebben doelen opgesteld om de integratie van taal- en vakonderwijs op onze school te bevorderen  1,8    20  35,7    19  33,9    15  26,8    1,8    56  100,0 
   In ons professionaliseringsplan/scholingsbeleid hebben wij activiteiten opgenomen die bijdragen aan de integratie van taal- en vakonderwijs  12,5    13  23,2    20  35,7    15  26,8    1,8    56  100,0 
   We honoreren de scholingsaanvragen van collega's die gericht zijn op het verbeteren van de integratie van taal- en vakonderwijs  1,8    8,9    18  32,1    27  48,2    8,9    56  100,0 
   Leraren werken binnen andere {{custom.vakken_lessen}}Zoals zaak-, beta-, kunst-, praktijkvakken en/of wereldoriëntatie. gericht aan talige leerdoelen  12,5    33  58,9    14  25,0    3,6    0,0    56  100,0 
   Er is overeenstemming tussen leraren over de manier waarop zij werken aan taalleerdoelen in andere Zoals zaak-, beta-, kunst-, praktijkvakken en/of wereldoriëntatie.{{custom.vakken_lessen}}Zoals zaak-, beta-, kunst-, praktijkvakken en/of wereldoriëntatie.  10  17,9    30  53,6    13  23,2    3,6    1,8    56  100,0 
   Binnen de school bespreken leraren met elkaar hoe zij in andere {{custom.vakken_lessen}}Zoals zaak-, beta-, kunst-, praktijkvakken en/of wereldoriëntatie. aan taalleerdoelen werken  16,1    33  58,9    10  17,9    7,1    0,0    56  100,0 
Tabel 24: Scholen kunnen hun lessen doelgericht of methodegericht inrichten. Heeft uw school de beweging naar doelgericht werken gemaakt?
 n   % 
 Bo 
   Nee, doelgericht werken is in de afgelopen 12 maanden geen (serieuze) overweging geweest  27  17,9 
   Nee, maar doelgericht werken is in de afgelopen 12 maanden wel een (serieuze) overweging geweest  37  24,5 
   Niet meer, we hebben er in de afgelopen 12 maanden wel mee gewerkt  4,0 
   Ja, wij werken korter dan 12 maanden doelgericht  28  18,5 
   Ja, wij werken (langer dan) 12 maanden doelgericht  53  35,1 
   Totaal  151  100,0 

Onderstaande 2 vragen (Tabel 25 en Tabel 26) zijn alleen gesteld aan de schoolleiders die aangaven (langer dan) 12 maanden doelgericht te werken.

Tabel 25: Wat is volgens u het grootste voordeel van doelgericht werken?
 n   % 
 Bo 
   Mogelijkheid tot differentiatie: leraren kunnen de lessen beter afstemmen op de onderwijsbehoeften van de (groepen) leerlingen  36  67,9 
   Leraren hebben (meer) autonomie over hun de inhoud van hun lessen  26  49,1 
   Opbrengst van differentiatie: (meer) leerlingen krijgen (beter, passender) aanbod  21  39,6 
   De ontwikkeling van de leerlingen is daardoor beter te volgen  12  22,6 
   Het doet een groter/uitdagender beroep op het vakmanschap van leraren  17,0 
   Totaal  53  100,0 
Tabel 26: Wat is volgens u het grootste nadeel van doelgericht werken?
 n   % 
 Bo 
   De uitvoering vraagt kundig/ervaren vakmanschap  28  52,8 
   Het verhoogt de werkdruk (voor sommigen)  21  39,6 
   De kwetsbaarheid voor uitval/lerarentekort  19  35,8 
   Het vraagt om meer afstemming binnen het team en/of duo’s  14  26,4 
   Geen van bovenstaande  13,2 
   Het leidt tot grotere verschillen in lesgeven tussen leraren  11,3 
   Totaal  53  100,0 
Tabel 27: Op welke wijze stimuleert de school dat zoveel mogelijk leerlingen het 1S-niveau behalen aan het einde van groep 8?
 n   % 
 Bo 
   Schoolbrede doelstellig over het (minimale) aandeel schoolverlaters met 1S-niveau  129  85,4 
   Leermiddelen die 1F- en 1S-niveaus duidelijk onderscheiden  81  53,6 
   Leraren maken die keuze na verplichte raadpleging van een specialist  47  31,1 
   Leraren maken die keuze naar eigen inschatting   31  20,5 
   Leraren volgen (verplichte) scholing die gericht is op het stimuleren van 1S-niveau  30  19,9 
   Leraren maken die keuze met een checklist  4,0 
   Geen van bovenstaande   2,0 
   Niet  0,7 
   Totaal  151  100,0 
 So 
   Het ontwikkelingsperspectief is hier leidend in  69  74,2 
   Leraren maken die keuze na verplichte raadpleging van de commissie voor de begeleiding  21  22,6 
   Schoolbrede doelstellig over het (minimale) aandeel schoolverlaters met 1S-niveau  17  18,3 
   Leermiddelen die 1F- en 1S-niveaus duidelijk onderscheiden  15  16,1 
   Geen van bovenstaande   15  16,1 
   Leraren maken die keuze naar eigen inschatting   8,6 
   Niet  7,5 
   Leraren volgen (verplichte) scholing die gericht is op het stimuleren van 1S-niveau  5,4 
   Leraren maken die keuze met een checklist  2,2 
   Totaal  93  100,0 
Tabel 28: Naar verwachting treden de nieuwe kerndoelen voor rekenen-wiskunde per 1 augustus 2026 in werking en zal er meer nadruk komen te liggen op wiskundige denk-werkwijzen zoals wiskundig probleemoplossen en wiskundig modelleren. Op welke manier is de kerndoel-wijziging naar meer wiskundige denk-werkwijzen bij u op school onder de aandacht?
 n   % 
 Bo 
   De wijziging naar meer wiskundige denk-werkwijzen is (nog) niet onder de aandacht  76  50,3 
   De wijziging naar meer wiskundige denk-werkwijzen is een gespreksonderwerp (geweest) in het team  46  30,5 
   Er wordt op school/in de les (al langer) aandacht besteed aan wiskundige denk-werkwijzenop school/in de les  26  17,2 
   Er zijn leermiddelen (aangeschaft) die een beroep doen op wiskundige denk-werkwijzen  21  13,9 
   De wijziging naar meer wiskundige denk-werkwijzen is een professionaliseringsactiviteit (geweest) voor het team  13  8,6 
   Geen van bovenstaande  4,0 
   Totaal  151  100,0 
 Vmbo 
   De wijziging naar meer wiskundige denk-werkwijzen is een gespreksonderwerp (geweest) in het team  68  51,1 
   De wijziging naar meer wiskundige denk-werkwijzen is (nog) niet onder de aandacht  39  29,3 
   Er wordt op school/in de les (al langer) aandacht besteed aan wiskundige denk-werkwijzenop school/in de les  35  26,3 
   Er zijn leermiddelen (aangeschaft) die een beroep doen op wiskundige denk-werkwijzen  16  12,0 
   De wijziging naar meer wiskundige denk-werkwijzen is een professionaliseringsactiviteit (geweest) voor het team  14  10,5 
   Geen van bovenstaande  5,3 
   Totaal  133  100,0 
 Havo/vwo 
   De wijziging naar meer wiskundige denk-werkwijzen is een gespreksonderwerp (geweest) in het team  48  49,0 
   De wijziging naar meer wiskundige denk-werkwijzen is (nog) niet onder de aandacht  28  28,6 
   Er wordt op school/in de les (al langer) aandacht besteed aan wiskundige denk-werkwijzenop school/in de les  27  27,6 
   Er zijn leermiddelen (aangeschaft) die een beroep doen op wiskundige denk-werkwijzen  15  15,3 
   De wijziging naar meer wiskundige denk-werkwijzen is een professionaliseringsactiviteit (geweest) voor het team  13  13,3 
   Geen van bovenstaande  6,1 
   Totaal  98  100,0 
 So 
   De wijziging naar meer wiskundige denk-werkwijzen is (nog) niet onder de aandacht  43  46,2 
   De wijziging naar meer wiskundige denk-werkwijzen is een gespreksonderwerp (geweest) in het team  18  19,4 
   Geen van bovenstaande  18  19,4 
   Er zijn leermiddelen (aangeschaft) die een beroep doen op wiskundige denk-werkwijzen  12  12,9 
   Er wordt op school/in de les (al langer) aandacht besteed aan wiskundige denk-werkwijzenop school/in de les  10  10,8 
   De wijziging naar meer wiskundige denk-werkwijzen is een professionaliseringsactiviteit (geweest) voor het team  9,7 
   Totaal  93  100,0 
 Vso 
   De wijziging naar meer wiskundige denk-werkwijzen is (nog) niet onder de aandacht  35  43,8 
   Er zijn leermiddelen (aangeschaft) die een beroep doen op wiskundige denk-werkwijzen  17  21,3 
   De wijziging naar meer wiskundige denk-werkwijzen is een gespreksonderwerp (geweest) in het team  16  20,0 
   Er wordt op school/in de les (al langer) aandacht besteed aan wiskundige denk-werkwijzenop school/in de les  14  17,5 
   Geen van bovenstaande  13  16,3 
   De wijziging naar meer wiskundige denk-werkwijzen is een professionaliseringsactiviteit (geweest) voor het team  7,5 
   Totaal  80  100,0 
Tabel 29: Was er in het afgelopen schooljaar (2024-2025) sprake van integratie van burgerschapsonderwijs in andere vak- of ontwikkelingsgebieden?
 n   % 
 Bo 
   Ja  144  95,4 
   Nee  4,6 
   Totaal  151  100,0 
 Vmbo 
   Ja  126  94,7 
   Nee  5,3 
   Totaal  133  100,0 
 Havo/vwo 
   Ja  90  91,8 
   Nee  8,2 
   Totaal  98  100,0 
 So 
   Ja  91  97,8 
   Nee  2,2 
   Totaal  93  100,0 
 Vso 
   Ja  75  93,8 
   Nee  6,3 
   Totaal  80  100,0 
Tabel 30: Bent u tevreden over de kwaliteit van het burgerschapsonderwijs zoals dat op dit moment op uw school gegeven wordt?
 n   % 
 Bo 
   Ja, zeer.  18  11,9 
   Ja, in voldoende mate  31  20,5 
   Ja, maar we werken ook aan verdere ontwikkeling daarvan  85  56,3 
   Nee, moet op enkele punten verder worden ontwikkeld  15  9,9 
   Nee, er is nog veel nodig  1,3 
   Totaal  151  100,0 
 Vmbo 
   Ja, zeer.  6,0 
   Ja, in voldoende mate  21  15,8 
   Ja, maar we werken ook aan verdere ontwikkeling daarvan  79  59,4 
   Nee, moet op enkele punten verder worden ontwikkeld  23  17,3 
   Nee, er is nog veel nodig  1,5 
   Totaal  133  100,0 
 Havo/vwo 
   Ja, zeer.  12  12,2 
   Ja, in voldoende mate  17  17,3 
   Ja, maar we werken ook aan verdere ontwikkeling daarvan  54  55,1 
   Nee, moet op enkele punten verder worden ontwikkeld  13  13,3 
   Nee, er is nog veel nodig  2,0 
   Totaal  98  100,0 
 So 
   Ja, zeer.  10  10,8 
   Ja, in voldoende mate  18  19,4 
   Ja, maar we werken ook aan verdere ontwikkeling daarvan  48  51,6 
   Nee, moet op enkele punten verder worden ontwikkeld  16  17,2 
   Nee, er is nog veel nodig  1,1 
   Totaal  93  100,0 
 Vso 
   Ja, zeer.  10  12,5 
   Ja, in voldoende mate  24  30,0 
   Ja, maar we werken ook aan verdere ontwikkeling daarvan  37  46,3 
   Nee, moet op enkele punten verder worden ontwikkeld  7,5 
   Nee, er is nog veel nodig  3,8 
   Totaal  80  100,0 
Tabel 31: Brengt u de burgerschapscompetenties van de leerlingen in kaart?
 n   % 
 Bo 
   Ja, voor alle leerlingen  36  23,8 
   Ja, voor een deel van de leerlingen  39  25,8 
   Nee  76  50,3 
   Totaal  151  100,0 
 Vmbo 
   Ja, voor alle leerlingen  42  31,6 
   Ja, voor een deel van de leerlingen  31  23,3 
   Nee  60  45,1 
   Totaal  133  100,0 
 Havo/vwo 
   Ja, voor alle leerlingen  25  25,5 
   Ja, voor een deel van de leerlingen  25  25,5 
   Nee  48  49,0 
   Totaal  98  100,0 
 So 
   Ja, voor alle leerlingen  35  37,6 
   Ja, voor een deel van de leerlingen  31  33,3 
   Nee  27  29,0 
   Totaal  93  100,0 
 Vso 
   Ja, voor alle leerlingen  47  58,8 
   Ja, voor een deel van de leerlingen  17  21,3 
   Nee  16  20,0 
   Totaal  80  100,0 
Tabel 32: In hoeverre beschikt uw school over mogelijkheden om burgerschapsonderwijs op de gewenste manier vorm te geven? Beoordeel de onderstaande factoren.
 Onvoldoende     Engszins onvoldoende     Neutraal     Engszins voldoende     Voldoende     Niet van toepassing     Totaal 
 n   %     n   %     n   %     n   %     n   %     n   %     n   % 
 Bo 
   Deskundigheid binnen de school om dit onderwijs (verder) te ontwikkelen  0,7    2,6    23  15,2    46  30,5    77  51,0    0,0    151  100,0 
   Beschikbare tijd om dit onderwijs (verder) te ontwikkelen  4,0    35  23,2    24  15,9    56  37,1    30  19,9    0,0    151  100,0 
   Draagvlak binnen de school om dit onderwijs (verder) te ontwikkelen  2,0    4,6    19  12,6    39  25,8    82  54,3    0,7    151  100,0 
   Sturing binnen de school om dit onderwijs (verder) te ontwikkelen  0,0    3,3    14  9,3    45  29,8    87  57,6    0,0    151  100,0 
   Beschikbare faciliteiten binnen de school om dit onderwijs (verder) te ontwikkelen  0,7    10  6,6    24  15,9    49  32,5    67  44,4    0,0    151  100,0 
   Inzicht in hoe wij als school burgerschapsonderwijs willen vormgeven  0,0    4,6    11  7,3    49  32,5    84  55,6    0,0    151  100,0 
   Inzicht in wat de wet van ons als school verwacht  1,3    12  7,9    12  7,9    47  31,1    78  51,7    0,0    151  100,0 
   Externe ondersteuning bij de ontwikkeling/vormgeving van dit onderwijs  4,6    22  14,6    39  25,8    28  18,5    30  19,9    25  16,6    151  100,0 
 Vmbo 
   Deskundigheid binnen de school om dit onderwijs (verder) te ontwikkelen  0,0    4,5    3,8    36  27,1    86  64,7    0,0    133  100,0 
   Beschikbare tijd om dit onderwijs (verder) te ontwikkelen  3,0    25  18,8    14  10,5    50  37,6    40  30,1    0,0    133  100,0 
   Draagvlak binnen de school om dit onderwijs (verder) te ontwikkelen  0,8    4,5    13  9,8    50  37,6    63  47,4    0,0    133  100,0 
   Sturing binnen de school om dit onderwijs (verder) te ontwikkelen  0,0    3,8    6,8    32  24,1    85  63,9    1,5    133  100,0 
   Beschikbare faciliteiten binnen de school om dit onderwijs (verder) te ontwikkelen  0,8    13  9,8    17  12,8    44  33,1    58  43,6    0,0    133  100,0 
   Inzicht in hoe wij als school burgerschapsonderwijs willen vormgeven  0,8    4,5    10  7,5    36  27,1    79  59,4    0,8    133  100,0 
   Inzicht in wat de wet van ons als school verwacht  0,0    5,3    12  9,0    35  26,3    79  59,4    0,0    133  100,0 
   Externe ondersteuning bij de ontwikkeling/vormgeving van dit onderwijs  0,8    15  11,3    29  21,8    21  15,8    43  32,3    24  18,0    133  100,0 
 Havo/vwo 
   Deskundigheid binnen de school om dit onderwijs (verder) te ontwikkelen  0,0    3,1    8,2    31  31,6    56  57,1    0,0    98  100,0 
   Beschikbare tijd om dit onderwijs (verder) te ontwikkelen  10  10,2    21  21,4    14  14,3    35  35,7    18  18,4    0,0    98  100,0 
   Draagvlak binnen de school om dit onderwijs (verder) te ontwikkelen  1,0    8,2    14  14,3    22  22,4    53  54,1    0,0    98  100,0 
   Sturing binnen de school om dit onderwijs (verder) te ontwikkelen  0,0    4,1    4,1    37  37,8    53  54,1    0,0    98  100,0 
   Beschikbare faciliteiten binnen de school om dit onderwijs (verder) te ontwikkelen  1,0    11  11,2    12  12,2    37  37,8    36  36,7    1,0    98  100,0 
   Inzicht in hoe wij als school burgerschapsonderwijs willen vormgeven  0,0    6,1    6,1    25  25,5    61  62,2    0,0    98  100,0 
   Inzicht in wat de wet van ons als school verwacht  5,1    6,1    8,2    25  25,5    54  55,1    0,0    98  100,0 
   Externe ondersteuning bij de ontwikkeling/vormgeving van dit onderwijs  6,1    5,1    23  23,5    23  23,5    26  26,5    15  15,3    98  100,0 
 So 
   Deskundigheid binnen de school om dit onderwijs (verder) te ontwikkelen  2,2    4,3    9,7    18  19,4    60  64,5    0,0    93  100,0 
   Beschikbare tijd om dit onderwijs (verder) te ontwikkelen  4,3    10  10,8    13  14,0    36  38,7    30  32,3    0,0    93  100,0 
   Draagvlak binnen de school om dit onderwijs (verder) te ontwikkelen  0,0    7,5    12  12,9    19  20,4    55  59,1    0,0    93  100,0 
   Sturing binnen de school om dit onderwijs (verder) te ontwikkelen  1,1    0,0    4,3    25  26,9    63  67,7    0,0    93  100,0 
   Beschikbare faciliteiten binnen de school om dit onderwijs (verder) te ontwikkelen  1,1    4,3    5,4    25  26,9    58  62,4    0,0    93  100,0 
   Inzicht in hoe wij als school burgerschapsonderwijs willen vormgeven  0,0    4,3    8,6    16  17,2    65  69,9    0,0    93  100,0 
   Inzicht in wat de wet van ons als school verwacht  1,1    9,7    11  11,8    14  15,1    58  62,4    0,0    93  100,0 
   Externe ondersteuning bij de ontwikkeling/vormgeving van dit onderwijs  3,2    7,5    20  21,5    24  25,8    27  29,0    12  12,9    93  100,0 
 Vso 
   Deskundigheid binnen de school om dit onderwijs (verder) te ontwikkelen  0,0    1,3    8,8    19  23,8    53  66,3    0,0    80  100,0 
   Beschikbare tijd om dit onderwijs (verder) te ontwikkelen  1,3    13  16,3    8,8    22  27,5    37  46,3    0,0    80  100,0 
   Draagvlak binnen de school om dit onderwijs (verder) te ontwikkelen  0,0    1,3    6,3    13  16,3    61  76,3    0,0    80  100,0 
   Sturing binnen de school om dit onderwijs (verder) te ontwikkelen  0,0    2,5    1,3    14  17,5    63  78,8    0,0    80  100,0 
   Beschikbare faciliteiten binnen de school om dit onderwijs (verder) te ontwikkelen  1,3    8,8    3,8    20  25,0    49  61,3    0,0    80  100,0 
   Inzicht in hoe wij als school burgerschapsonderwijs willen vormgeven  1,3    1,3    5,0    20  25,0    54  67,5    0,0    80  100,0 
   Inzicht in wat de wet van ons als school verwacht  2,5    8,8    7,5    21  26,3    44  55,0    0,0    80  100,0 
   Externe ondersteuning bij de ontwikkeling/vormgeving van dit onderwijs  2,5    5,0    14  17,5    21  26,3    25  31,3    14  17,5    80  100,0 

Referenties

Inspectie van het Onderwijs (2026). Technisch rapport passend onderwijs. De Staat van het Onderwijs 2026. Utrecht: Inspectie van het onderwijs.